Dit is de eerste zin van dit stukje. Het is nu 08.25 uur. Bij de laatste zin zal het donkeren. Dan zal ik weer een dag gesakkerd, gesukkeld en veel geschrapt hebben. Daarna zal ik wakker schieten van verkeerde woorden en foute beelden.     Zo gaat het wekelijks. Terwijl u misschien denkt, wat is dat makkelijk geschreven. Eigenlijk kan ik niet schrijven. Alleen schrappen.     Hopelijk kan ik wel een beetje schrijven. Het zou triestig zijn na veertig jaar oefenen. Maar één alinea lezen van de meesters en ik weet het wel weer: dat is mij niet gegeven.     Vind ik dat erg? Het is verschrikkelijk. Maar er zijn erger dingen, enzovoort. Aanleiding tot deze kleine ontboezeming is een nieuw onderzoek van psychologen. Het stond in de krant. De vraag luidde: baart oefening inderdaad kunst, zoals ons al van aan de borst wordt voorgehouden?     Besluit: veel minder dan we dachten.     Ik mag nog mijn hele bestaan proberen zo’n bonte koolmees te tekenen, hij zal hooguit op een grijze mus lijken. En hij zou ook niet kunnen vliegen. Ik heb geen vingers.     En nooit zal ik ‘Le plat pays’ van Brel enigszins kunnen zingen. Ik heb geen oren.     ‘Oefening’, zo las ik, ‘telt slechts voor 12 procent mee in de verklaring waarom sommige mensen beter in iets zijn dan anderen.’ De volgende vraag luidt dan uiteraard: wat is de rest? Het antwoord lijkt me eenvoudig: aanleg. Gave, genie, talent, grootsheid, begiftiging, genen. Maar dat willen de onderzoekers niet gezegd hebben. Dat wil niemand echt gezegd hebben. Waarom niet eigenlijk? Alsof iedereen uiteindelijk best Messi kan zijn, als hij maar lang genoeg tegen een bal sjot. Na 10.000 uren. Oefening.     Onzin natuurlijk.     Waar zijn we zo bang voor? Voor onze onderlinge ongelijkheid? Die is een feit. Messi slalomde al in de eicel. Allemaal vallen we massaal voor ‘godenkinderen’ als Mozart, Messi of Grace Kelly. Toch houden we vol dat oefening ‘kunst’ baart.     Amehoela.     Oefening kweekt een zekere kunde. Dat wel. Iedereen kan, na jaren, zichzelf schaakmat zetten. Maar dat is het dan ook.     Ik mag nog mijn hele hiernamaals oefenen op een groots schilderij. Sint-Pieter zal het rustig toevoegen aan de reusachtige afvalberg, daar boven, van mislukte meesterwerken. Is dat erg? Sommige dagen wel. Maar het is me niet gegeven, hoe zeer men ooit ook wilde schitteren, toen men veertig jaar geleden al, in de ijlkoorts van de jeugd, de meesters las, de schilders zag, Mozart hoorde en één van hen wilde zijn.     Maar de jaren zelf bedaren de dromen. De dagen zelf brengen de voeten op de grond. De schrijvende uren zelf hebben hebben nederig gemaakt. Enkelen onder ons schitteren, de meesten schutteren. Zo is hetEn intussen tikken de middaguren.     Vroeger draaide men een blad in de typemachine. Bij elke verkeerde zin draaide men het er weer uit. En ’s avonds was de papiermand vol. Toen kieperde men zijn onzinnen bij de rest van het huishoudafval. En wist men weer waar men stond.     Nu nadert de avond en is al het vorige hier zeker tien keer herschreven en gedeletet. In het niets. Van het scherm. Ergens daarachter vebroederen voortdurend afgedankte zinnen. Enkelen onder ons schitteren, de meesten schutteren.     Zo is het.     Nooit zal ik flonkeren, ook al oefen ik tot in de hemel. Mijn zinnen zullen nooit de voetjes van Messi hebben. Of de melodie van Mozart. Laat staan de gratie van Grace Kelly.     Vind ik dat erg?     Het is geen leven.     Maar nu het stilaan schemert, nu ik dus nooit zal klinken als Messi en dribbelen als Mozart, zelfs geen koolmees zal kunnen vereeuwigen en mag oefenen tot in de eeuwigheid op een houterige tango, nu ik dat allemaal al lang weet, nu kan ik deze laatste zin rustig, in een zekere vrede, laten vallen.     Ik heb toch maar weer een dag geoefend.
Voorgelezen door de auteur
Oefening